Gijsbertus, de man van Anna, was een sterke kerel. Dat moest ook wel, want als kruijer had je en zwaar leven. Hij werkte in de haven. Loste er de vrachtschepen die uit Indi� kwamen met specerijen, koffie en thee. Hij was het, die Coen de zeilmakerij wees naast de Schreierstoren. Het was een klein bedrijfje waar een meester en twee knechten werkten. Er was toen nog voldoende werk en een ervaren kracht kon meester van der Togt wel gebruiken. Coenraad heeft er vele jaren gewerkt.
Gijsbertus nu 29 jaar, was een jaar jonger dan zijn vrouw Anna toen ze op het punt stond te bevallen van hun eerste zoon. Een paar geleden was Gijsbertus van Utrecht naar Amsterdam gekomen om in de haven te gaan werken. Daar was meer te doen dan in Utrecht. De zoveelste regeringswisseling had veel onzekerheid gebracht. Veel Utrechtenaren waren naar de snel groeiende stad getrokken. De VOC was net door de Overheid overgenomen, maar het werk in de haven leed daar niet onder. De oorlogshandelingen zorgen voor voldoende werk.
Op een mooie zomerse dag was hij de mooiste vrouw van zijn leven tegen gekomen. En zij, zij was als een blok voor hem gevallen. Iets waar ze later nog wel eens aan terug moest denken. Misschien heeft ze er wel eens spijt van gehad. De kruier was niet alleen sterk, zijn handen zaten zo af en toe weleens los. Maar als je jong bent kun je daar wel tegen. En niemand in de buurt keek er vreemd van op als een vrouw wat blauwe plekken had.
deel IV staat hier